E-MAIL

LEESvoer,

 

 

Zandman
’s Zomers gingen we alle dagen als het mooi weer was naar het strand,
 met fietstassen vol eten, drinken en badpakken,

In de ochtend was het zand al heet onder je voeten. Het was eb, er zaten windrimpels in het strand ertussen glansden schelpen. De meeuwen hingen in de wind, als kleine vliegers.

Ik nam twee poppen mee en een doos met kartonnen aankleedpoppen.
De stijve kleertjes hadden papieren uitsteeksels waar je ze mee kon vastmaken.

Ik maakte zelf ook wel papieren kleren voor mijn platte vriendjes.
 Ik kleedde ze eindeloos aan en uit en zette ze in het zand als bevroren

minitoeristen.

We maakten zandkastelen en vissen van zand met schelpenranden als
 versiering.

Er kwamen altijd familieleden op bezoek op de zondagen aan het strand.
Mijn moeder had er gestreepte linnen tent met een grote luifel, die in de winter opgeborgen werd tot de volgende zomer.

Iedereen was welkom, maar moest zelf eten en dranken meenemen.

Een broer van mijn vader nam altijd een gebakdoos vol bekertjes
 ijs met slagroom mee van de strandtent. Hij zag eruit als een mollig
engeltje met blonde platte krulletjes.

Hij had littekens op zijn rug en benen, dat kwam door de oorlog zei mijn vader.
 Hij had aan de Birmaspoorweg gewerkt.

Wij mochten er met geen woord over spreken.

Ik at boterhammen met zand en gesmolten hagelslag uit een papieren zak,
waar ik ’s morgens mijn naam op had gezet.

Het gaf mij een schoolreisjesgevoel.

’s Middags gingen we met ijzeren emmertjes de duinen in om slakkenhuizen
 en dikke paarse bramen te zoeken.

Thuis aten we dagenlang bramen in de vla, op brood, als compote, bij de cake.

Van de slakkenhuizen reeg ik groteske kettingen, nadat ze geverfd waren
 met rode nagellak van mijn zuster.

Mijn moeder droeg jarenlang hetzelfde badpak, zwart met een korset erin.
 Of ze had een zonnejurk aan en een strooien hoed op.

Ze haakte eeuwig pannenlappen of breide sokken en wanten voor de winter.
 Ze zat nooit in de zon, altijd onder een parasol.

Ik zal een jaar of zeventien geweest zijn, toen mijn vader op een snikhete
 zondag zijn jongste collega meenam naar het strand.

Hij had een Morris Minor cabriolet, wat in die dagen heel bijzonder was,
 laat staan een cabrio.

Hij had zandkleurige ogen met gouden spikkels, sproeten en grote handen.
 Hoe oud zal hij geweest zijn? Een jaar of vijfentwintig denk ik.
 Hij had zo’n kleine zwembroek aan dat ik er steeds naar moest kijken.

Ik vroeg hem mee te gaan wandelen. Mijn moeder keek me over haar brilletje bedenkelijk aan en zei dat ik een blouse aan moest trekken over mijn lila
 geruite bikini.

Ik deed hem meteen weer uit, toen we uit haar gezichtsveld waren met mijn

 voeten door het warme zeewater liep, mijn ondergang tegemoet.

Hij had warme volle lippen en hete handen met zand eraan.
Toen we eenmaal in de duinen belanden, prikte het zand tussen mijn
 schouderbladen en billen.

Mijn vader keek me argwanend aan, toen we terug waren, greep zijn
collega bij zijn arm en zei dat ze op huis aan moesten.

Vijf jaar later trouwden we en kregen drie zonen met dezelfde spikkelogen
 en sproeten.

Toen ik zelf kleine kinderen had, vond ik het minder leuk aan het strand.

Ik had eigenlijk nooit tijd om iets te doen, alleen maar opletten of en niet
een wegraakte of te ver in zee ging.

Onze jongste zoon liet al gauw merken, dat hij er niets aan vond aan zee.
 Na een uur begon hij al te jengelen en krijsen.

Gaan we al naar huis? Heb jij het niet warm? Zijn we hier al lang?

De tijd van de pretparken brak daarna aan dat was wat aangenamer en vooral
 ook koeler.

Wij op een terrasje met een ijsje en de krant en de jongens de attracties in.

Dat moet je trouwens ook niet te veel doen, want je krijgt last van pretparkstress.
Ik in ieder geval wel.

Drie uur in de file ernaartoe, vier uur in het strafkamp en dan weer drie uur naar huis.

Thuis met een boek in de tuin is leuker!